We hebben het eerder gedaan: ons hele leven op de schop genomen. En met succes. Het was na de Tweede Wereldoorlog en heette de wederopbouw. Die kreeg vaart door onder meer geld van onze Amerikaanse bevrijders (Marshallhulp). Huizen en fabrieken werden gebouwd en om arbeiders energie te geven was goed en goedkoop voedsel nodig. De gemoedelijke pappa/mamma boerderijen werden daarom omgevormd tot efficiënte voedselproducenten. Kunnen we na de coronacrisis eenzelfde kunstje flikken? Dat er een stevige wending nodig is, werd recent nog weer eens glashelder gemaakt door het rapport Remkes over stikstof: ‘Niet alles kan overal’ en op deze website betoogde Frederic van Kleef gister nog dat we ook letterlijk ruimte moeten maken voor een nieuwe tijd.

Maar hoe pak je dat aan? Na de oorlog nam de overheid ferm het stuur in handen en ze werkte systematisch. Twee instrumenten hielpen toen mee de ingrijpende transitie in de toenmalige landbouw tot een succes te maken: de ruilverkaveling en de landbouwconsulenten. Deze blog sluit ik aan bij het pleidooi van Frederic van Kleef voor nieuwe ruilverkavelingen, over drie weken ga ik in op de consulenten. 

Ruilverkavelingen

In onze tijd framen we ‘ruilverkaveling’ negatief. Het begrip refereert aan hoe ons landschap overal op dezelfde manier is rechtgetrokken, hoe oude waterlopen vergraven zijn en zand, zeeklei en veengebieden op elkaar zijn gaan lijken. Die afwijzing geldt het doel van de toenmalige ruilverkavelingen, niet de methode. Dus laten we met het badwater niet ook het kind weggooien.

De naoorlogse ruilverkavelingen hadden een eendimensionaal doel: de landbouw moderniseren. Wat begon als gericht werken aan hetzelfde maatschappelijke doel (NOOIT MEER HONGER) is echter gaandeweg uitgelopen op een maatschappelijk drama. Zeker, we hebben een kleine maar uiterst efficiënte boerenstand met daarachter een industrie die op de wereldmarkt goed geld verdient (het lijstje landbouw miljonairs van Quote spreekt boekdelen). Maar ten koste van wat? Een kaalslag onder de beroepsgroep (in Noord Nederland werken nog maar 4000 melkveeboeren en 2000 akkerbouwers (zie dit WUR document)), uitputting van de bodem, massief gebruik van mest en gif, ontregelde waterbalans, bodem-, lucht- en watervervuiling, bedreiging van de volksgezondheid, overexploitatie van dieren, vernietiging van biodiversiteit en karakteristieke Hollandse landschappen. 

Bij ruilverkaveling gaat het erom het gebruik (en bezit) van de grond te veranderen. Dat is precies wat we nu nodig hebben. Hoogleraar Theo Spek pleitte vorig jaar tijdens zijn Noorderbreedte-lezing voor een new deal tussen de landbouw en de maatschappij. De term komt uit de jaren dertig van de vorige eeuw en behelst een grootschalig plan van president Roosevelt om de landbouwcrisis in de VS te bestrijden. We zijn nu ook toe aan een groot transitieplan; de liberaal Remkes maakt dat weer glashelder. Nederland loopt klem. 

Spek beklemtoonde dat we niet meer in het scheiden van functies (landbouw en natuur) moeten denken zoals de afgelopen zeventig jaar. We hebben boeren nodig die voedsel oogsten maar die daarnaast ook andere taken vervullen: de rijkdom van de aarde koesteren, energie leveren, burgers met natuur verbinden en een goede rol spelen in de waterberging etcetera. De bodem moet vele diensten leveren, heel wat meer dan alleen ‘voedsel maken’. Echter: de helft van alle hectares grond die Nederland rijk is, bevindt zich in handen van boeren die zich uitsluitend of bijna uitsluitend richten op voedselproductie. Daar zit em de kneep. De wereld is veranderd: voedsel kunnen we steeds vaker ook in industriehallen met kunstlicht telen. De wetenschappelijke vorderingen om eiwit te produceren zijn gigantisch. Water is een eerste levensbehoefte, natuur, gezonde lucht en bodem zijn cruciaal voor ons voortbestaan. Helaas krijgt de boer daar geen opbrengsten uit. En erger nog: met zijn voedselproductie brengt hij die waarden vaak schade toe. Voor de oplossing daarvan kijkt de branche dan naar de overheid. Burgers betalen voor de waterzuivering en voor slechte lucht offeren we levens. Als de biodiversiteitsdoelen niet gehaald worden, volgt een vette Europese boete. Er moet een einde komen aan die afwenteling en daarvoor hebben we grond nodig, ruimte voor natuurlijke processen en boeren die daaraan mee willen werken.

Hoe krijg je boeren nu zover dat ze hun focus verleggen? Veranderen is niet eenvoudig – in mijn vorige blog gebruikte ik het essay van de rijksbouwmeester om dat te laten zien. Toch is het na de Tweede Wereldoorlog gelukt om een ingrijpende transitie te bewerkstelligen. Destijds was er grote overeenstemming over wat er moest gebeuren. En eerlijk is eerlijk: de hulpgelden van de wederopbouw gaf de mensen ook vleugels. Geld is er nu ook: landbouwsubsidies (750 miljard per jaar in de EU) , klimaat- en duurzaamheidsgeld plus nu de coronamiljarden. En wil is er ook bij individuele boeren – in de kolommen van Noorderbreedte voeren we die regelmatig ten tonele. Maar het collectief, de boerenbelangenbehartigers, zijn niet zover. Nog niet.

Destijds vormden juist zij een belangrijke factor in de omwenteling: de landbouworganisaties trokken samen op met de minister – en dat blok van overheid en belangenbehartigers wist de boerenachterban mee te trekken. Nu is de landbouw een harde economische bedrijfstak en de boerenorganisaties richten zich op de economische belangen. Dat is geen verwijt: we hebben met zijn allen zo georganiseerd. Maar dat werkt tegen nu we willen veranderen. Maatschappelijke belangen als schone lucht, water en bodem spelen voor belangenbehartigers een rol als onderhandelingspunt over schadevergoedingen en subsidies. De intrinsieke waarde komt er amper op tafel. Dat laten de bedrijven graag aan de overheid en zodra die daar iets over voorschrijft, komen ze met de rekening. Mede daarom liggen veranderingen in het boerenbedrijf nu vele malen moeilijker dan na de oorlog.

Hoe kan het dan wel? Theo Spek kwam met deze aanbevelingen: vorm coalities van de mensen die wel willen veranderen. Hij noemt het de coalition of the willing. En ten tweede: zet de natuur zelf weer in zijn kracht. Het Noorden kent vijf landschapstypes die elk op een heel eigen manier kunnen helpen om de nu noodzakelijke maatschappelijke noden te lenigen: het waddengebied, de klei aan de kust, veen (vooral in Friesland), zand en de veenkoloniën. Zet de boeren uit de coalition of the willing in een landschap waar ze samen met burgers en overheden een goed plan voor hebben. Bijvoorbeeld: bedrijven die in veenlandschap met een hogere waterstand willen werken, en zo forse uitstoot van CO2 voorkomen. Daarmee bewijzen ze alle burgers een goede dienst. Of boeren op zandgrond die voedselbossen aanpoten – een betere dienst voor de aarde.

Om die welwillende boeren te krijgen op de plekken waar ze het meest kunnen betekenen voor de samenleving, is een herschikking van grond nodig: een ruilverkaveling. Laten we er in Noord-Nederland mee beginnen om boeren met steun en een goed plan te helpen aan de juiste plek om te werken. Roep de hulp in van boeren om de biodiversiteit weer te laten groeien, vraag hen om schone lucht en genoeg water te leveren. Geef boeren die daar ‘ja’ tegen zeggen de ruimte om uit te zoeken hoe dat het beste kan werken. 

Op termijn zal deze transitie alleen kunnen slagen als de natuurinclusieve landbouwers een goede boterham kunnen verdienen. Dat organiseren is een taak voor de overheid – lees Remkes er maar op na. Dat deden we na de Tweede Wereldoorlog met ferme hand.

Vorige blogs over onder meer: boerentoekomst, de voorlopers raken achterop, hoge grondprijs nekt boeren


.