Pake. En. Beppe.

Twee sierlijke afscheidingshekjes, een toegangshek, een grasveldje met daarop warrig struikgewas, een tegelpaadje en een huisnummer. Het lijkt allemaal heel knus, ook vanwege de letters ‘P.E.B.’ op de muur, maar dat is het niet. Op de twee stalen deuren van het transformatorhuisje staat ‘Hoge spanning, levensgevaarlijk’.
Friezen noemden het P.E.B. meestal ‘pake en beppe’. Het had tenten langs de weg en huisjes langs de straat, dus het moest er wel gezellig zijn. Maar het was aan het Provinciaal Elektriciteitsbedrijf (opgericht in 1916) om de hoogspanning om te zetten in laagspanning, zodat iedereen televisie kon kijken of de elektrische deken en ander grut alvast kon voorverwarmen.
Het P.E.B. is er niet meer, elektriciteit nog wel. Meestal zijn stroomhuisjes onooglijke bouwsels en fantasieloze kasten, die vormeloos langs de weg staan. Toch zijn er juweeltjes bij die we als erfgoed op monumentenlijsten hebben gezet. De provincie Groningen telt vijf monumentale transformatorhuisjes (in Losdorp, Ter Apel, Grijpskerk en Groningen) en Drenthe twee (in Buinen en Vries). Friesland telt er één (in Drachten), wat er één te weinig is. Dit exemplaar in Heerenveen moet er ook op. Het hekwerk om dit gebouwtje is namelijk van uitzonderlijke schoonheid, net als de betonnen afdakjes boven de stalen deuren. Als het de monumentenstatus krijgt, gaan we misschien ook het gras voor het huisje wat vaker maaien en het rafelige beton van het hek weer eens schilderen.
Uit de folder Geselecteerd als gemeentelijk monument. En nu? van de gemeente Heerenveen: ‘Het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigt een groot maatschappelijk kapitaal. Het geeft de vitaliteit van stad en platteland weer en zorgt voor aantrekkingskracht.’
Juist. Ondanks al die monumentale tolhuizen en boerderijen lijkt de inhoud van deze visie geschreven voor dit bescheiden gebouw. Probleem is wel dat ik het jaartal van dit monument niet kan traceren. Volgens vastgoedportalen en kadastersites zou het uit 1987 stammen, maar dat kan niet waar zijn. Een vergelijkbaar huisje in Hoogeveen stamt uit 1960, wat meer in de buurt komt. Bovendien: de belendende huizen alhier stammen uit 1957, de tegenoverliggende garageboxen zelfs uit 1956. Als er nu een folder zou bestaan Geselecteerd voor de UNESCO-Werelderfgoedlijst. En nu? zou de kwestie wegens ‘uniek cultuurhistorisch kapitaal en vitaliteit’ natuurlijk meteen zijn opgelost.

Het gedempte hart

Lastige klus: het hart van Drachten bepalen. Het ligt ergens op de scheiding tussen het oude dorp en de ooit nieuwe industrie. Dit gebouw aan het Moleneind is van rubberfabrikant Dunlop. Het is niet hoog, maar wel lang. Achter de ramen zijn computers en tuffende machines te zien en te horen. De fabriek kijkt uit op de Drachtstervaart, die in 1967 werd gedempt. Dat was niet goed voor het gebouw. Trouw, 2 augustus 1996: ‘Toen de vaart eenmaal gedempt was, bleek dat de lage bebouwing langs de vaart armoedig in het niet viel bij de brede straat die ontstond. Stedenbouwkundig was het faliekant mislukt, net als in veel andere voormalige veenkoloniale dorpen’. In 2015 werd de opnieuw uitgegraven vaart heropend.
Om de hoek, aan de Oliemolenweg, staat een zogeheten industrieflat. Een laag gebouw, met veel breedte en weinig lengte. Een herdenkingstegel meldt dat ‘Z. EX. PROF. DR. J.R.M. van den Brink’, de toenmalige minister van Economische Zaken, op 23 april 1949 de eerste steen heeft gelegd. Zo’n industrieflat zouden wij nu een bedrijfsverzamelgebouw noemen, hoewel de toenmalige gebruikers, matrassenfabriek AKO en machinefabriek Sluis, toch meer aan industrie doen denken. Philips streek al gauw neer achter de flat en nam die in 1961 over. Sinds 1949 is er geen spat aan het gebouw veranderd – het is bijvoorbeeld niet onderdeel geworden van een groter complex en staat verloren aan de drukke rotonde.

Wacht in Drachten net zo lang tot je het juiste perspectief te pakken hebt

Tussen deze twee bedrijfsgebouwen staat ook nog Duimstokkenfabriek Schuil. Niet alleen wereldberoemd om zijn vierdelige duimstok, maar ook om zijn mooie fabriekshal en belendende directeurswoning. Wanneer je een wandeling over het Moleneind en de Oliemolenweg maakt, begeef je je in een vroeg-industrieel landschap, waar matrassen, scheerapparaten, brandblusslangen en duimstokken werden – en worden – gemaakt.
Diepen en kanalen dempen leidde indertijd tot grote vreugde. Vaarten waren centra voor de grote stort en open riolen, en stonken daarom een uur in de wind. Nu onderstrepen de nieuwe waterwegen de waardigheid van deze gebouwen. Die zijn al redelijk oud, maar niet versleten. Wanneer ik voor de ramen sta en naar rechts kijk, zie ik in de verte de rode neonletters van de HEMA oplichten. Als de vaart niet was opengebroken, had ik de HEMA niet gezien. Dit is een zichtlijn die de geschiedenis openbaart. Je moet in plaatsen als Drachten niet iets verwachten, je moet net zo lang kijken tot je het juiste perspectief te pakken hebt.

Delfzijl sloopt

Ik heb eens een rondje langs alle regionale televisiezenders gemaakt, alsof ik naar mijn eigen versie van Van gewest tot gewest keek. Zo ging het op L1 over de aanleg van het kunstijsbaantje in Maastricht en berichtte Omroep Flevoland over een beschermde zone voor uitgezette bevers. RTV Noord had een item over een nieuw sloopplan in Delfzijl, waar een naoorlogse woonwijk weer zou worden afgebroken.
Zo is er natuurlijk altijd wel wat, maar soms is het net of er in Delfzijl meer is. Onlangs nog, de sloop van de tienhoge Venneflat uit 1969. Uit het rapport Woonvisie 2018-2022: ‘Het merendeel van de woningen in Delfzijl is eengezinswoning, veelal in het goedkope segment en met een matige energetische kwaliteit.’ Verderop in deze samenvatting: ‘Ook met minder mensen kan en moet het goed wonen zijn, maar dan moet ook de ruimtelijke ontwikkeling van Delfzijl daarop zijn afgestemd’.
Anderzijds gebeurt er ook niets en gaat het leven prettig verder. Deze portiekflat in de Scheepvaartbuurt heet bijvoorbeeld Beatrix. Het gebouw stamt uit 1952, toen zijn naamgever al veertien jaar was. Het kijkt uit over een parkje, waarachter het Damsterdiep via Appingedam richting Groningen loopt. In de naburige Boeierlaan is Julie geboren, dochter van Michel en Laura en zusje van Joris; rond een bungalow tegenover de flat maait een man het gras op een robuuste zitmaaier. Naast Beatrix staan ook nog Irene, Margriet en Marijke – ongetwijfeld woningen van matige energetische kwaliteit, maar desalniettemin imponerend in hun eenvoud.
Ik ben vanaf station Delfzijl-West komen lopen en ga zitten op een bankje in het parkje. Aan de overzijde van het Damsterdiep zie ik de nieuwbouw van Farmsum rijzen. Twee zeshoekige woontorens van ieder vijf hoog, waaromheen stenen tuinen zijn aangelegd, flankeren de verbindende brug. Daarachter verschijnen pompeuze huizen, net zo groot als breed. Kachelhout, grassproeiers en carports – het kan niet op.
Ja, dat zijn verschillen. Met die uitgedijde boerderettes, privésteigers en betegelde tuinmeubelhoeken kun je er ook niet omheen dat die verschillen oplopen. Al die eenvormige individualiteit is een treurig gezicht, maar tegelijk oogt Farmsum perfect, alsof er in de toekomst nooit meer iets hoeft te worden gesloopt.
Zover is het nog niet. Eerst moet de grasmaaier nog naar binnen. Julie gaat opgroeien. Daarna is het afwachten. In diezelfde woonvisie staat ook: ‘De gestapelde bouw aan de Rijksweg is verouderd’.

De overpeinzingen en foto’s van Jaap Krol verschijnen eind 2020 bij uitgeverij Wijdemeer. De voorlopige titel is Wederzien.