In de samenleving is tegenwoordig ruim aandacht voor diversiteit. Diversiteit in termen van bijvoorbeeld nationaliteit, gender, afkomst, religie en seksuele oriëntatie. Wat al deze termen nu precies zijn, of waard zijn, en hoe ze zich tot elkaar verhouden, is niet in beton gegoten. Het is afhankelijk van wie je spreekt. Afhankelijk ook van wanneer je die persoon spreekt. De dynamiek in de samenleving. En meer van zulks.
Maar, ze worden doorgaans meegewogen. Vaak onhandig, geforceerd, soms toch stiekem ook wel een beetje voor de bühne? De bewustheid van het belang van diversiteit, en dat sommige groepen het standaard wat makkelijker hebben, neemt met vallen en opstaan toe. Ik was niet zo onder de indruk van het vinkjesverhaal van Luyendijk. De kritiek van veel mensen dat hij toch een beetje ontdekte wat de hele wereld al wist, en veel mensen beter, kwam op mij overtuigend over. Maar het is ook mijn expertise niet en Luyendijk heeft het boek toch mooi maar wel geschreven.
In een eerdere column voor Noorderbreedte, brak ik een lans voor jongeren. Nu richt ik me op de andere kant van het spectrum: de ouderen. Traditioneel bedoelen we daar in mijn ervaring mensen ouder dan 65 mee, al richt de ouderenpartij zich op 50-plussers. Dat lijkt mij wat jong. 65 is vooral gebaseerd op de (historische) pensioenleeftijd. Een levensfase waarin men verondersteld wordt meer tijd voor dingen te hebben. En in mijn ervaring is dat ook vaak wel zo.
Ik zie het overal om me heen, en bijvoorbeeld ook in een aantal besturen waarin ik zelf zit. Ouderen, tot ver in de zeventig, spelen met veel energie, enthousiasme en ervaring een wezenlijke rol in het reilen en zeilen van clubjes, stichtingen, en verenigingen. Ze brengen naast tijd, vooral ook ervaring in. Want ze zijn natuurlijk niet uit de lucht komen vallen. Ze komen uit bedrijven, gemeentes, onderwijsbanen – eigenlijk overal vandaan. En deze ervaring brengen ze in mijn ervaring met gepaste rust en dosering in.
Hoe cliché ook, die rust is echt een grote kracht van ouderen. Ze hebben het nodige al meegemaakt en dat relativeert. Zonder in een permanente ruststand te schieten. Herman van Veen zingt in Later, een tekst van Simon Carmiggelt, dat het niet meer ‘ad rem’ hoeft. Dat is, hoe vierbaar ook die ouderen zijn, niet de groep die ik nu bedoel. Ik zie overal vitale kwieke ouderen om me heen die wel degelijk enorm ad rem zijn. Ouderen die geïnformeerd, kundig en fijne gesprekspartners zijn. En die, door simpelweg te zijn wie en wat ze zijn, een zinvolle rem zetten op mijn eigen getater.
