Het zwaard van Damocles hangt boven het Brabantse Moerdijk. Industrie en energie graaien gretig naar de ruimte. De dreigende opheffing van het dorp heeft grote impact. Sloop wacht fysieke gebouwen en voorzieningen als huizen, kerken, begraafplaatsen en de speeltuin. Verwatering en vergetelheid lijken het lot voor straatnamen, verenigingen en buurtbarbecues. Natuurlijk zullen er dingen in een of andere vorm blijven bestaan. ‘De Reiziger’, een bronzen sculptuur van de Moerdijkse kunstenaar Niek van Leest, zal vast doorreizen. En er zullen sociale banden sterk genoeg blijken om een gedwongen fysieke verwijdering te overleven. Maar het dorp Moerdijk, in alles wat het is, verdwijnt als entiteit.
Ik ben nooit in Moerdijk geweest. En de meeste inwoners van Moerdijk vermoedelijk evenmin in mijn dorp. Het zegt ze waarschijnlijk ook niets. En dat is prima. Ik gun mijn dorp wat ik Moerdijk van harte had gegund: een relatief anonieme rol in het Nederlands dorpenlandschap. De realiteit is dat dorpen van deze grootte meestal pas bekendheid krijgen als er wat aan de hand is. Natuurrampen, ongelukken, geweldsincidenten… In het bevingsdossier spreekt men van ‘voor en na Huizinge’: een prachtig dorp verloor zijn naam aan de ramp. En soms verdwijnen dorpen dus helemaal.
Meestal gebeurt dat vooral op papier, als een nabijgelegen grotere kern het dorp opslokt en de geografische status degradeert naar wijk of buurt. Denk aan Huizum in Leeuwarden, Helpman in Groningen en Zuidbarge bij Emmen. Zeldzamer, maar ingrijpender, is het fysiek verwijderen van het dorp. In Nederland zijn in de loop der eeuwen, om uiteenlopende redenen, talloze dorpen verdwenen of verplaatst. Wij herinneren ons vooral de voorbeelden van nog niet zo lang geleden. Waarvan nog levende getuigen zijn. In Groningen beroemde, of allicht beruchte, voorbeelden zijn Heveskes, Oterdum en Weiwerd. Ze verdwenen voor dijkversteviging en grootse dromen over florerende industrie.
Enkele weken geleden dook op tv parlementair journalist Frits Wester op als duider van ‘de toekomst van Moerdijk’. Frits had zich puik voorbereid en stuitte in dit proces op de bovengenoemde Groninger dorpen. Ironisch genoeg illustreerde hij, hieraan refererend, onbewust precies hoe de toekomst van Moerdijk er zeer waarschijnlijk uitziet. Na ‘even spieken’, informeerde hij de tafel over het tragisch lot van Oterduin, Heefuskus en Weiwaard. En tragisch is het zeker, als enkele decennia na de sloop blijkt dat het niet eens de moeite meer loont om een naam correct uit te spreken. Je bent een voetnoot met spelfouten in een kapitalistische ruimte-eet-legende.
Toch is het niet helemaal stil rond deze plaatsen. Als je je ooit in de buurt van Oldehove begeeft, let dan eens op het slaan van de kerkklok aldaar. Het is het geluid van de zeventiende-eeuwse luidklok van Oterdum. Om één uur luidt die één keer, om twee uur twee keer, en om twaalf uur, jawel, twaalf keer. Maar wie goed luistert hoort dat die ook aangeeft dat het vijf voor twaalf is. Dan zingt de zware klok, ieder jaar een beetje zwakker, heel zachtjes over het Humsterland: Niemand wait, niemand wait, dat ik d’Oterdommer hait.
